Slag om Ypenburg
De slag om Den Haag: één van de eerste tegenslagen van Hitler tijdens de blitzkrieg van 1940
Perspectief van Jaap Beekman
Over de gevechten rond Ypenburg in mei 1940 — onderdeel van ‘de slag om de residentie’ — zijn twee standaardwerken geschreven:
• De Slag om de Residentie van E.H. Brongers
• Mei 1940 van Herman Amersfoort
Beide boeken bevatten echter een onjuiste weergave van de gebeurtenissen. Ze stellen beiden dat het volledige vliegveld Ypenburg werd veroverd door Duitse Fallschirmjäger en luchtlandingstroepen, waarna het Nederlandse leger het terrein moest heroveren. Die voorstelling van zaken is altijd een bron van frustratie geweest voor Jaap Beekman, omdat het niet klopt.
In de meest noordoostelijke hoek van het vliegveld, bij de watertoren, hielden ongeveer twintig man stand: een samengestelde groep van de motormitrailleurgroep (onderdeel van de pantserwagens), infanteristen van het Regiment Grenadiers en luchtafweereenheden. De hele dag door weerstonden zij een overweldigende Duitse aanval. Vanuit de lucht werden ze eerst gebombardeerd om vervolgens door Stuka’s bestookt te worden, terwijl op de grond golf na golf eliteparachutisten hun positie probeerden in te nemen. Daarbij vielen veel slachtoffers. Ondanks hun beperkte middelen wist deze kleine groep hun positie de hele dag te behouden. Ironisch genoeg moesten ze ook eigen vuur van de Nederlandse artillerie en aanvallen van Engelse bommenwerpers doorstaan — men dacht dat hun positie inmiddels in Duitse handen was gevallen.
Aan het einde van de dag werden ze ontzet door het Nederlandse leger, waarmee een einde kwam aan de uiteindelijk mislukte Duitse poging om Den Haag snel in te nemen.
Jaap Beekman werd geïnterviewd voor een van deze boeken en heeft dit verhaal toen ook verteld. Toch wordt in beide werken nog steeds de onjuiste versie gepresenteerd. Voor zijn moedige optreden op Ypenburg ontving Beekman de dapperheidsonderscheiding de Bronzen Leeuw. Wat er die dag werkelijk gebeurde, wordt met veel detail en spanning beschreven in ´De Marconist´.
Aanloop tot de Duitse aanval op Nederland
Nederland is neutraal — en zal dat ook altijd blijven. Althans, zo voelt het in de jaren ’30. Net als Zwitserland wordt Nederland gezien als een stabiel, neutraal baken in een onrustig Europa. Tijdens de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog bleef het land buiten het conflict, en sinds de Belgische afscheiding in 1830 heeft Nederland geen oorlog meer gekend. Sindsdien neemt het een neutrale positie in op het internationale toneel.
Ook België koos destijds voor neutraliteit, maar dat weerhield Duitsland er in 1914 niet van om het land binnen te vallen, met als gevolg een verwoestende loopgravenoorlog op Belgisch grondgebied. Beide landen proberen hun neutraliteit koste wat het kost te behouden. Ze zijn geen partij voor de grootmachten en dreigen in elk conflict tussen de sterke landen vermalen te worden.
Die kwetsbare positie leidt tot grote voorzichtigheid op het gebied van bewapening. Men wil geen aanleiding geven tot agressie, bijvoorbeeld door Duitsland het gevoel te geven dat het bedreigd wordt. In het begin van de jaren ’30 klinkt er zelfs een krachtige oproep tot volledige ontwapening vanuit pacifistische groeperingen. Deze beweging staat bekend als ‘het gebroken geweertje’. De ongekende wreedheid van de Eerste Wereldoorlog heeft veel Europeanen tot het pacifisme gebracht.
Toch is het merendeel van de Nederlanders tegen volledige ontwapening. Maar, het is typisch Nederlands, het leger mag niet te veel kosten. Vanaf 1935, wanneer Hitler steeds openlijker zijn minachting voor andere landen toont en zich buiten de Duitse grenzen begint te begeven, wordt er mondjesmaat meer geïnvesteerd in defensie. Maar het blijft karig. Het bekendste voorbeeld is dat Nederland slechts één tank bezit, zodat rekruten in ieder geval weten hoe een tank eruitziet. Het is een verouderd exemplaar uit de Eerste Wereldoorlog. Het meest moderne oorlogsmaterieel bestaat uit 32 pantserwagens, een aantal zware en lichte mitrailleurs, en nieuwe mortieren.
De Nederlandse luchtmacht telt 125 vliegtuigen — een mix van enkele moderne toestellen en een groot aantal verouderde exemplaren. De marine is bezig met een uitbreiding van de vloot, maar veel van de nieuwe schepen en onderzeeërs liggen nog in het dok. Er is wel artillerie en luchtafweergeschut beschikbaar, maar het is schaars en vaak sterk verouderd. Het belangrijkste wapen van het Nederlandse leger is in feite het karabijn: het standaard geweer.
Een treffend voorbeeld van het verouderde materieel zijn de gemodificeerde kanonnen uit 1880 die nog in het arsenaal zitten. Denk aan een film over de veldslagen van Napoleon: kanonnen op grote houten wielen, die bij elk schot met een klap naar achteren rollen en handmatig weer op hun plek moeten worden gezet voordat ze opnieuw geladen kunnen worden.
Ook het bekende beeld van soldaten op de fiets klopt. Een deel van de verplaatsbare lichte divisie bestond inderdaad uit fietsende militairen. Natuurlijk waren er ook motorrijders en gemotoriseerde artillerie, maar het beeld van een leger op de fiets is illustratief voor de staat van het Nederlandse leger aan het eind van de jaren ’30.
Nederlandse soldaten te fiets tijdens de mobilisatie eind 1939. Regiment Wielrijders op de fiets langs het defensiekanaal in de provincie Utrecht, omgeving Amersfoort. Bron: Nationaal Militair Museum (NMM) Soesterberg
In mei 1939 geeft Hitler aan zijn legerleiding te kennen dat hij via Nederland en België naar Frankrijk en Engeland wil oprukken. Strategisch gezien is het voor hem van belang dat er geen landen tussen Duitsland en het Verenigd Koninkrijk liggen die als springplank kunnen dienen voor een aanval op het Ruhrgebied. Bovendien is de Franse verdediging langs de grens met België het zwakst — en daarmee de meest geschikte route voor een aanval op Frankrijk. Het is in wezen dezelfde strategie als tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar dit keer wordt ook Nederland in het plan betrokken.
Ondertussen blijft Hitler vanaf 1937 in het openbaar verklaren dat Duitsland de neutraliteit van Nederland zal respecteren. Op dinsdag 31 januari 1939 zegt hij in een rede in de Rijksdag:
‘De bewering dat het nationaalsocialistische Duitsland binnenkort Noord- of Zuid-Amerika, Australië, China of zelfs Nederland zou aanvallen of annexeren, en wel omdat men daar andere regeringsstelsels heeft, zou slechts aangevuld kunnen worden door de profetie, dat wij vervolgens het plan zouden hebben, dadelijk tot bezetting van de volle maan over te gaan.’
Hitler heeft — niet onterecht — weinig achting voor het Nederlandse leger en is ervan overtuigd dat een invasie slechts enkele dagen zal vergen. Zijn grootste zorgen liggen niet bij de militaire tegenstand, maar bij het Nederlandse landschap. Met zijn rivieren, polders en waterwegen biedt Nederland de mogelijkheid om via de waterlinies grote delen van het land onder water te zetten, waardoor de opmars van gemotoriseerde tankdivisies ernstig wordt bemoeilijkt. Ook het opblazen van strategische bruggen kan een snelle Duitse opmars flink vertragen.
De oplossing wordt gevonden in Hitlers nieuwste wapen: zijn leger uit de lucht. In het diepste geheim heeft het Duitse leger in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog een luchtmobiele strijdmacht opgebouwd. Aan de ene kant bestaat deze uit de Fallschirmjäger — elitesoldaten die met duizenden tegelijk per parachute achter vijandelijke linies kunnen worden gedropt. Ze zijn uitstekend getraind, gemotiveerd en zwaar bewapend. Daarnaast zijn er de luchtlandingstroepen, die per vliegtuig landen en naast extra manschappen ook zwaarder materieel meenemen: motorfietsen, mortieren en mitrailleurs. Het geschut en de munitiekarren worden getrokken door Haflinger-paarden, een innovatie die zijn gelijke niet kent in Europa.
Göring, het hoofd van de Duitse luchtmacht en de nummer drie achter Hitler, is de drijvende kracht achter deze nieuwe divisie. De geallieerden hebben geen idee dat Duitsland in het geheim deze capaciteit op zo’n schaal aan het opbouwen is.
Dit ‘leger uit de lucht’ zal op en rond Den Haag landen met als doel een verrassingsactie: het gevangen nemen van koningin Wilhelmina, haar familie, de regering en de legerleiding. Door deze bliksemsnelle aanval moet de rest van de Nederlandse verdediging in chaos vervallen, zodat het land snel kan worden ingenomen.
Wilhelmina had zich krachtig ingezet voor vrede en probeerde samen met België en Zweden de spanningen tussen de Europese landen te ontzenuwen. Haar statuur en populariteit maakten dat Hitler per se wilde dat haar niets zou overkomen. Hij hoopte zelfs dat, zodra de bezetting een feit was, Wilhelmina zich zou schikken naar de Duitse overheersing en zou meewerken. Haar man was immers een Duitser geweest, en haar schoonzoon eveneens. Hitler hoopte dat Wilhelmina zich medewerkend zou gedragen net zoals de koningshuizen van Denemarken en België.
Internationaal lopen de spanningen in rap tempo op. Op 11 maart 1938 vindt de ‘Anschluss’ plaats: Oostenrijk wordt ingelijfd bij Duitsland. Een jaar later, op 14 maart 1939, eist Duitsland delen van Tsjechoslowakije op en neemt ze in. Op 1 september 1939 valt Duitsland Polen binnen, en slechts twee dagen later — op 3 september — verklaren Engeland en Frankrijk Duitsland de oorlog.
Wat volgt is een periode van merkwaardige stilstand: maandenlang lijkt er nauwelijks militaire activiteit tussen de strijdende landen. Maar op 9 april 1940 breekt die stilte wanneer Duitsland Denemarken en Noorwegen binnenvalt.
De aanval op Nederland, België en Frankrijk — bekend als Fall Gelb — staat eigenlijk al gepland voor november 1939. Slecht weer en Hitlers besluit om eerst Scandinavië aan te vallen zorgen echter voor herhaald uitstel.
Niet alle Duitsers staan achter Hitlers plannen. Admiraal Wilhelm Canaris en kolonel Hans Oster, de top van de Duitse militaire geheime dienst (Abwehr), werken hem actief tegen. Oster waarschuwt op 9 mei Major Sas, de Nederlandse militaire attaché in Berlijn, dat Nederland de volgende ochtend zal worden aangevallen. Het is niet de eerste keer dat hij dit doet — eerdere waarschuwingen bleken loos alarm door uitstel vanwege het weer. Door deze herhaalde valse meldingen begint men in Nederland de informatie van Sas steeds minder serieus te nemen.
De troepen in het veld worden dan ook niet geïnformeerd over een mogelijke invasie. De aanval in de vroege ochtend van 10 mei 1940 komt voor hen als een complete verrassing.
De Duitse aanval op Nederland tussen 10 en 14 mei 1940
Het Duitse aanvalsplan is best slim en bestaat uit twee hoofdacties. De eerste is een luchtlanding bij Den Haag — een bliksemsnelle operatie bedoeld om Nederland feitelijk leidingloos te maken. Door de regering, het militaire commando en het koningshuis uit te schakelen, hoopt men te voorkomen dat er nog bevelen kunnen worden gegeven om de polders onder water te zetten of strategische bruggen op te blazen.
De tweede actie vindt plaats over land. Via drie routes worden troepen en materieel Nederland binnengereden. Aan de grens heeft Duitsland ongeveer 350.000 manschappen verzameld. In de vroege ochtend van 10 mei 1940 steken zij de grens over. Onder hen bevinden zich pantserdivisies, tankeenheden en zelfs een pantsertrein die razend vlug het Nederlandse grondgebied binnen dendert.
De eerste route loopt via Drenthe, Groningen en Friesland, met als doel via de Afsluitdijk door te stoten naar ‘Vesting Holland’ en Amsterdam in te nemen. Aanvankelijk verloopt deze opmars volgens plan — tot aan het einde van Friesland. Daar, bij de Afsluitdijk, stuiten de Duitsers op een onverwacht sterke verdediging. Een combinatie van goedgeplaatste kazematten met zware mitrailleurs en effectieve artillerie weet het Duitse leger volledig tot stilstand te brengen.
Vijf dagen lang wordt er hevig gevochten, maar geen enkele Duitse soldaat weet de Afsluitdijk over te steken. Pas na de Nederlandse capitulatie worden de stellingen verlaten.
De tweede aanvalsroute loopt via de Grebbelinie richting Utrecht en Amersfoort. Ook hier wordt stevig standgehouden. De verschillende verdedigingslinies in het bescheiden heuvelgebied dat Nederland rijk is, weten de Duitse opmars flink te vertragen. Pas op 12 en 13 mei lukt het de Duitsers om door te breken. Hoewel er bijvoorbeeld bij Scherpenzeel nog steeds weerstand wordt geboden, trekt het grootste deel van het Nederlandse leger zich terug achter de Nieuwe Hollandse Waterlinie, strategisch gezien de laatste verdedigbare linie. Daarmee ontstaat feitelijk de Vesting Holland: een goed verdedigbare, zij het nog niet volledig afgebouwde, linie rond de Randstad.
De derde route — en het zwaartepunt van de aanval — ligt in het zuiden. Het plan is om eerst door te stoten naar Rotterdam en daar de belangrijkste bruggen te bezetten. Vervolgens wil men oprukken naar Delft en Den Haag om deze steden te ontzetten, in de veronderstelling dat ze inmiddels door de luchtlandingen zijn ingenomen. Tegelijkertijd wordt er naar het zuiden afgebogen om de Belgische grens over te steken.
Na vier dagen is een deel van de doelstellingen bereikt: enkele bruggen zijn ingenomen. Maar de Duitsers staan nog steeds slechts aan de rand van Rotterdam. Het Nederlandse verzet is hardnekkig, en de stad is nog niet gevallen — laat staan dat er richting Den Haag kan worden opgerukt. Het doorstoten via Brabant, en met name Limburg, verloopt daarentegen wél volgens plan. Al op 10 mei trekken Duitse troepen vanuit Zuid-Nederland België binnen.
1. De verschillende Duitse aanvalsroutes. Bron: De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II / De Groene Serie. 2. Kaart van vliegveld Ypenburg van mei 1940. 3. Opstelling van de eenheden op het vliegveld en specifiek bij de watertoren.
Na de eerste hevige dagen van strijd heeft het Nederlandse leger zich feitelijk teruggetrokken achter de Vesting Holland — de verdedigingslinie rond de Randstad. Dit is geheel in lijn met het Nederlandse strategische plan. De hoop is dat de Engelsen via zee en de Fransen bij Breda zullen oprukken om Nederland te ontzetten. Want realistisch gezien is deze positie niet lang vol te houden. Het Nederlandse leger is aanzienlijk kleiner en slechter bewapend dan dat van de Duitse tegenstander.
Aanval op Den Haag
De aanval op den Haag bestaat uit een aantal aanvalsgebieden. Het primaire doel is Ypenburg. Het grootste vliegveld dat, snel in handen moet worden gekregen, zodat de luchtlandingsvliegtuigen kunnen landen en er snel opgetrokken kan worden naar het centrum van Den Haag om de koningin en andere leiders gevangen te nemen. Maar er zijn meer plekken waar de Duitsers neerkomen.
In de eerste plaats is er een grote landing in de weilanden ten zuiden van Delft. Zowel de Fallschirmjäger als de Junkers die luchtlandingstroepen komen brengen komen daar massaal naar beneden. Veel Junkers wijken uit naar Delft, omdat ze niet meer kunnen landen op Ypenburg. Hoewel Delft maar beperkte en zeer onervaren verdedigers heeft zijn de 15 stuks 20 millimeter luchtafweergeschut net zo effectief als bij Ypenburg. Diverse vliegtuigen worden uit de lucht geschoten of worden doorzeefd zodat menig inzittende het niet overleeft.
Ook zijn de Nederlanders zo slim geweest om vrachtwagens her en der op de Rijksweg tussen Den Haag en Rotterdam te parkeren. De Rijksweg is de alternatieve landingsplek mocht Ypenburg niet mogelijk zijn, wat blijkt. In wanhoop landen vele vliegtuigen in het weiland of landen toch op de Rijksweg maar crashen in de berm. Van de ongeveer 30 vliegtuigen die bij Delft landen kunnen er maar 7 weer opstijgen om nieuwe troepen in Duitsland op te halen. Hoewel de Fallschirmjäger en luchtlandingstroepen die wel goed aan de grond komen veruit superieur zijn in aantallen en bewapening dan het handje vol verdedigers van Delft, is het na een halve dag al gezien. De gevechten zijn zeer heftig met veel verliezen aan beide zijden. De onervarenheid van de Nederlanders wordt gecompenseerd door de woede en verontwaardiging over deze onverwachte aanval.
Enkele gecrashte Duitse Junkers Ju-52 vliegtuigen op de A13 tussen Den Haag-Rotterdam. Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie
Het Nederlandse succes in de eerste dagen van de strijd is achteraf te verklaren door twee factoren: het vlakke landschap, dat vanuit verdedigende posities een voordeel biedt, en het feit dat de Duitse troepen verspreid en onvoldoende gecoördineerd opereren. Alleen rond de Rijksweg tussen Den Haag en Rotterdam is na de eerste dag nog een goed ingegraven Duitse eenheid aanwezig. Deze troepen trekken uiteindelijk twee dagen later naar Overschie, omdat de aanval op Den Haag wordt afgeblazen en de focus verschuift naar Rotterdam.
Het derde strijdtoneel is hulpvliegveld Ockenburg — een piepklein vliegveldje in de duinen net onder Den Haag. Het is niet meer dan een stuk grasland met enkele civiele vliegtuigjes. Er is geen luchtafweer, geen zwaar geschut, slechts 96 man: voornamelijk dienstplichtige soldaten en een handvol (onder)officieren. Er is geen tijd geweest om verdedigingswerken aan te leggen; de soldaten staan letterlijk in het open veld. Nadat ze van een afstand hebben gezien wat er op Ypenburg gebeurt, zijn zij zelf aan de beurt.
Eerst worden ze aangevallen door jachtvliegtuigen. Daarna landen honderden Fallschirmjäger in de duinen achter het vliegveld. Onder dekking van de luchtaanvallen landen 26 transportvliegtuigen op het veld, met nog eens 21 toestellen in de omgeving — vooral op het strand. Ondanks de hevige gevechten is het aan het begin van de ochtend gedaan met de verdediging van Ockenburg. Van de 96 Nederlandse soldaten blijven er slechts 36 over die niet gewond zijn of gesneuveld. De weerstand is echter zo fel geweest dat van de 47 gelande Duitse toestellen er maar 13 weer kunnen opstijgen om versterkingen op te halen.
De verovering van Ockenburg betekent niet dat het Nederlandse leger stilzit. Met artillerie, bommenwerpers — drie van de negen die Nederland bezit — en jachtvliegtuigen wordt het de Duitse troepen op de grond flink lastig gemaakt. Vervolgens trekken de Duitsers weg van het vliegveld richting Den Haag. Tussen hen en de stad staat een allegaartje van Nederlandse troepen: mortierbemanningen, pantserafweersoldaten, een mitrailleurcompagnie en enkele artilleristen. Geen eenheid getraind voor huis-aan-huisgevechten, maar ze houden lang genoeg stand tot er versterking komt. De Duitse luchtsuperioriteit maakt de verdediging bijzonder moeilijk, maar de vastberadenheid van de Nederlanders is indrukwekkend.
Met de komst van Nederlandse versterkingen en de intensivering van de artilleriebeschietingen wordt het voor de Duitsers een onbegonnen zaak. Het vliegveld Ockenburg en de omliggende duinen worden volledig tot puin geschoten. De situatie wordt chaotisch: sommige Duitse troepen blijven vechten, anderen geven zich over, wat het opruimen van de vijandelijke posities complex maakt. Tegen de avond is Ockenburg weer in Nederlandse handen. Alleen in de bossen ten zuidoosten van het vliegveld bevinden zich nog enkele honderden Duitse militairen — onder wie generaal Graf von Sponeck, de commandant van de operatie.
Op 11 mei geeft Von Sponeck de aanval op Den Haag op. Met ongeveer 300 man trekt hij zich terug naar Overschie, waar ook de resterende landingstroepen uit Delft zich hebben verzameld, samen met andere verdwaalde Duitse eenheden. Daar houden ze stand tot de Nederlandse capitulatie op 14 mei. Met in totaal zo’n 1.000 Duitse soldaten weet Von Sponeck zijn positie te behouden, ondanks meerdere pogingen van Nederlandse troepen om hem daar te verdrijven.
Het vierde en laatste primaire doel van de Duitse luchtlandingsoperatie is vliegveld Valkenburg — een vliegveld in aanbouw, gelegen ten noorden van Den Haag. Enkele hangars zijn al gereed, maar de landingsbaan is nog te zacht voor regulier vliegverkeer. De verdediging is iets beter dan bij Ockenburg, maar ook hier ontbreekt luchtafweergeschut en luchtdoelmitrailleurs.
Na een hevig bombardement, gevolgd door de landing van Fallschirmjäger en in totaal zestig luchtlandingsvliegtuigen, wordt het terrein rond 07:00 uur in de ochtend veroverd. Ironisch genoeg blijkt de zachte ondergrond een voordeel voor de Nederlanders: de gelande vliegtuigen zakken weg in de modder en kunnen niet meer opstijgen. Nieuwe toestellen kunnen niet landen omdat de baan vol staat met gestrande machines.
De Duitse troepen trekken vervolgens richting de Rijksweg Amsterdam–Den Haag om daar de brug over de Oude Rijn te bezetten — de Haagse Schouw, een cruciale verbinding tussen Noord- en Zuid-Holland. Ook het dorp Valkenburg en delen van Katwijk aan de Rijn worden bezet. Ondertussen heeft zich op het strand tussen Katwijk aan Zee en Scheveningen, ter hoogte van Wassenaar, een aanzienlijke Duitse troepenmacht gevormd. Later die dag worden de gestrande vliegtuigen op het strand door Nederlandse torpedobootjagers onder vuur genomen en vernietigd.
Al vroeg in de ochtend wordt de Haagse Schouw vrij eenvoudig heroverd. Wat volgt zijn hevige man-tegen-man gevechten, waarbij eerst de rand van Wassenaar wordt ontzet en de Duitse troepen langzaam worden teruggedrongen richting het dorp Valkenburg. Ondertussen wordt ook hier met succes Nederlandse artillerie op het vliegveld gericht, en blijken de enkele beschikbare Nederlandse bommenwerpers verrassend effectief. Uiteindelijk weten de Nederlandse troepen het vliegveld weer in handen te krijgen.
Toch houden de Duitsers — met moeite — stand in het dorp Valkenburg en in delen van het duingebied bij Wassenaar, tot aan de capitulatie op 14 mei. Bij de vier luchtlandingsacties rond Den Haag worden honderden Duitse militairen krijgsgevangen gemaakt. Veel materieel wordt buitgemaakt. De uitrusting van de Duitse troepen is zó superieur dat na de slag om Den Haag de in beslag genomen automatische pistolen, handmitrailleurs, lichte en zware mitrailleurs onder Nederlandse soldaten worden verdeeld.
In de vroege ochtend van 10 mei zijn drie vliegvelden — Ypenburg, Ockenburg en Valkenburg — grotendeels veroverd door de Duitsers. Alleen het noordelijkste puntje van Ypenburg, bij de watermolen, blijft in Nederlandse handen. Maar nog vóór het middaguur zijn alle drie de vliegvelden weer heroverd. Hitler had deze weerstand schromelijk onderschat. Misschien wat naïef dacht hij dat deze demonstratie van macht de Nederlanders zou verlammen — zoals in Denemarken was gelukt. Nederland werd niet als vijand gezien, eerder als een noodzakelijke hobbel op weg naar Engeland. In Hitlers ogen zou dit Arische zustervolk hem met open armen moeten ontvangen.
De cijfers zijn niet volledig te verifiëren, maar er wordt geschat dat op 10 mei zo’n 370 Duitse vliegtuigen zijn vernietigd en ongeveer 1.700 Duitse militairen krijgsgevangen zijn genomen. Van hen zijn er circa 1.400 per schip naar Engeland gebracht, waar ze de rest van de oorlog hebben doorgebracht.
De totale onvoorbereidheid van Nederland en de overtuiging dat het land buiten de oorlog zou blijven, blijkt uit drie schrijnende gebeurtenissen:
• Ten eerste: de trams in en rond Den Haag reden gewoon uit, en brachten forensen midden in de vuurgevechten.
• Ten tweede: de reguliere brandweer rukte uit naar Ockenburg om brand te blussen — waarbij hun wagen door Duitse troepen werd doorzeefd.
• Ten derde: in dorpen waar Duitse troepen binnenvielen, kwamen nieuwsgierige burgers kijken naar de gevechten, zich niet bewust van het levensgevaar. Daarbij vielen veel burgerdoden.
Nederland was misschien niet klaar voor oorlog — maar zat er nu wel middenin.
In De Marconist beleef je de slag om vliegveld Ypenburg van uur tot uur, gezien door de ogen van Jaap Beekman. Hij is ingedeeld bij de Pantserwagens — zes stuks ter verdediging van Ypenburg — en maakt deel uit van de motormitrailleurgroep die deze voertuigen ondersteunt. Op 10 mei 1940 ligt Jaap, samen met enkele andere jongens, in de tuin van de watermolen in de noordelijke hoek van het vliegveld. Niet wetend wat de dag zal brengen.
Fallschirmjäger
Hier een Duitse propagandafilm uit 1940 waarin de acties van de Fallschirmjäger boven Nederland wordt nagespeeld.
10 mei herdenking
Voormalig Vliegveld Ypeburg tijdens de 10 mei herdenking








